Dwight Winnicott, een engelse psychoanalist, leerling en collega van Melanie Klein, meent dat een klein kind de dingen der leven ervaart vanuit een heel eigen standpunt waarbij hetgeen hij wenst en wat dáár is aan elkaar gestrengeld zijn.
Hij denkt dat het ergste wat een peuter kan overkomen is dat er en diepe kloof ontstaat tussen wat hij wilt en wat hij krijgt, omdat het heel kleine kind nog niet in staat is om grote frustraties te verdragen.
Als moeders’borst, bevoorbeeld, niet zowat « magisch » regelmatig dáár komt te staan waar hij ze wenst te vinden, dan zal hij gaan denken dat zijn leven op het spel staat of dat zijn lot afhangt van een soort van « toeval » dat hij niet kan beïnvloeden.
Er zal dus een intense medewerking moeten bestaan tussen de subjectieve innerlijke wereld van het kleine kind en dat wat hij objectief waarneemt wil men dat hij de wereld gaat vertrouwen.
*
Die twee werelden – de objectieve en de subjectieve – ontmoeten elkaar in een transitionele ruimte. Dwight Winnicott zegt ons dat ieder mens het grootste gedeelte van zijn prille jeugd, en een voornaam gedeelte van zijn latere leven, in die ruimte doorbrengt.
In die transitionele ruimte zal de baby creatief zijn. Hij zal er transitionele objecten uitvinden, bevoorbeeld moeders’borst, al bestaat die « ergens » daarbuiten ook wel. En als hij zijn uitvinding vernietigt maar ziet dat die daarbuiten blijft bestaan, dan zal hij langzamerhand tot het besef komen dat er een andere realiteit bestaat.
Nu, als zijn creaties overeenstemmen met de objectieve realiteit, dan worden zijn innerlijke wereld en de buitenwereld met elkaar verbonden – wat het voor hem mogelijk zal maken om de frustraties te verdragen als de dingen niet verlopen zoals hij het wenst.
Bestaat die binding niet of is die niet sterk genoeg, dan zal het kleine kind zich gaan afzonderen in een denkbeeldige wereld zonder banden met de objectieve buitenwereld. Gebeurt dit veel, dan zal hij zijn concrete bestaan van zijn fantasmatische bestaan splitsen, en tegelijkertijd gaan leven in twee aparte werelden.
In dat geval zal hij zijn creativiteit helemaal niet willen investeren in die grouwe buitenwereld – en zal hij er meestal het brave teruggetrokken onderdanige kind uithangen. In dat geval zal hij pas echt tot leven komen éénmaal hij terug is in zijn denkbeeldige privé wereld – waar hij het overgrote gedeelte van zijn levensenergie naartoe zal pompen.
*
En wat als de kleine zijn energetische bestaan in tweeën heeft gesplitst en, in het beste geval, slechts de helft van zichzelf kan zijn naar de buitenwereld toe ? En wat als dat zo blijft tot op latere leeftijd, wat meestal het geval is ?
Dan raadt Dwight Winnicott ons het therapeutische remedie van het « spel » aan. Hij zegt ons dat wie speelt zijn kreatief vermogen ontwikkelt om beter met objectieve en subjectieve werkelijkheid te kunnen omgaan.
Zo is, volgens hem, de psychoanalyse, het meest verfijnde spel dat in de 20ste eeuw door de mens is uitgevonden !
Dwight Winnicott zegt derhalve dat die transitionele ruimte tussen binnen-en buitenwereld later in ons leven de ruimte zal worden waarin het kultureel gebeuren zal plaatsvinden – een ruimte waarin men alle vormen van de kunst maar ook die van het religieuse en die van het kreatieve wetenschappelijke werk zal ontmoeten.
*
Wat Dwight Winnicott ons eigenlijk zegt is dat het « waar-schijnlijke » maar best wáár is zolang men een zeer klein kind is, en dat het anders echt met ons kan verkeren. Men zou kunnen zeggen dat het pas erg wordt voor het kleine kind – alsook later voor de volwassene – als schijn « altijd » bedriegt !
Want men moet « er in » kunnen blijven geloven ; men moet zijn vertrouwen aan iets en/of iemand kunnen schenken en van goede wil kunnen blijven getuigen wat er ook gebeuren mag. Anders geraakt men afgezondert en wordt men kwaadwillig of ook wel eens cynisch. En dan zit men gevangen in een weinig kreatieve realiteit waar de groeimogelijkheden voor de ziel zeer beperkt blijven.
En het zijn de verschillende kunstdisciplines alsook het religieuse en al wat ons kreatief vermogen mobilizeert, die ons zullen toelaten om er terug in te gaan geloven en om steeds weer nieuwe banden te leggen tussen onze subjectieve en objectieve percepties van wat is.
*
De Life Coach zal erop letten dat zijn client gaat uitvinden wat daar eigenlijk al is ; dat die het een naam gaat geven, het gaat herkennen. En, tegelijkertijd, zal hij hem helpen bij het naar buiten brengen – zij het met woorden, tekens, daden of materie – van wat daar bij hem vanbinnen soms gevangen zit.
Kortom, de Life Coach zal zijn client helpen om spelenderwijze de melodiën van zijn innerlijke en uiterlijke werelden met elkaar in harmonie te brengen.