Handboek van de Analytische Life Coach : Thema 1 : "Ik" en "Mezelf"

Wat ik jullie nu wil vertellen gaat over mij en tegelijkertijd over « ieder één » die op zoek is naar hemzelf.


De zin die ik juist kom te schrijven ziet er simpel uit, maar is het eigenlijk niet.


Want, inderdaad, alleen al zeggen « ik zoek naar mezelf » wijst naar het bestaan van een psychische instantie dat « ik » noemt, en van een andere dat « mezelf » heet.


Anders gezegd, iemand die je zegt  « ik wil mezelf worden », is met zijn tweën. Wat problematisch is want je ziet er daar maar één.


Doorgaans wordt aangenomen dat « ik » het ben dat naar « mezelf » op zoek is.


Wat veronderstelt dat die twee gedeelten van mij elkaar kwijt zijn geraakt, en/of dat ze elkaar niet schijnen te kennen noch te herkennen.


Voor die en andere redenen zullen mensen zoals Sigmund Freud het hebben over bewuste, minder bewuste en onbewuste gedeelten van het « zelf ».


Jacques Lacan, een franse psychanalyst, heeft aan dat verschil tussen « ik » en « mezelf » een pientere bedenking gewijd.


Hij vertelt ons dat de baby die zichzelf in een spiegel ontwaart, en tot de bevinding komt dat hij het is, iets vreemd meemaakt.


Hij experimenteert namelijk dat wat de anderen van hem zien niet strookt met wat hijzelf ervaart.


Dat kleine kind dat zich soms een zeer voornaam groot lawaai waant, stelt vast dat hij in de ogen der anderen kan gezien worden als een klein, mollig, gebrekkig en ambetant dingetje dat geeneens kan stappen.


En als hij, bevoorbeeld, bang is maar toch glimlacht, dan leert hij weldra dat de anderen hem alleen zien glimlachen, en niet eens weten dat hij bang is.


*


Ik zeg jullie dit allemaal om de nadruk te leggen op het feit dat er van kleinsaf een soort van breuk zal bestaan tussen « ik » die daar in die spiegel verschijnt, en « mezelf » – het gevoelige wezen die ik derhalve ben.


Als alles deftig verloopt, zal ik mijn leven lang « ergens » blijven weten dat ik mezelf ben, dat ik vertrouwen kan hebben in mezelf en « ook » naar mezelf moet luisteren.


Als alles normaal verloopt zal ik intuitief weten dat ik zeer regelmatig « ook » voor mezelf moet zorgen, en dat het gelijkvloers van het torengebouw dat mijn persoonlijkheid stilaan wordt op dat intiem gevoel berust mezelf te zijn en niemand anders.


Maar « deftig » en « normaal » zijn van die normaliserende bewoordingen die niet dikwijls overeenkomen met de feitelijkheid.


Al die anderen – en in eerste instantie de moeder – kijken naar mij en ontwaren in mij dingen die er kunnen inzitten of niet, zij het vaardigheden, gevoelens, verlangens, etc.


Die anderen wensen tevens een aantal dingen van mij – bijvoorbeeld properheid en beleefdheid – en geven er mij iets voor terug, doorgaans affectie, waardering …


en als ze niet tevreden zijn over mijn manier van aan hun sollicitaties te beantwoorden, laten ze het mij ook weten … dan blijft die affectie en die waardering weg …


dan wordt er soms wel eens geroepen en zelfs gestraft of lichamelijk ingegrepen …


dan wordt er minder naar mij omgekeken of, in het ergste geval, laat men mij dan begrijpen – of snap ik het intuitief uit hun manier van mij te behandelen – dat ik voor hen niet meer besta.


*


Aldus zal « mezelf » die éne « ik » moeten worden die zij zien en niet degene die ik ervaar.


Aldus zal « ik » meestal « mezelf » helemaal niet of niet helemaal kunnen worden.


Aldus wordt ik een « ding » – een object dat beantwoord aan hun verlangens –, in plaats van het subject te blijven van mijn eigen wezenlijkheid.


*


Wat een Analytische Life Coach zal doen is éénieder die zijn praktijk bezoekt dichter bij hemzelf brengen.


Bedoeling daarbij is te ontkomen aan een soort van diepgewortelde sociale en culturele programmatie …


die ons dingen doet denken en voelen, en handelingen doet verrichten die ons niet ten goede komen …


kortom die ons niet liggen en/of niet passen bij wie we eigenlijk zijn – wetende dat het woordje « eigenlijk » hier letterlijk « gelijk mijn eigen » betekent.